Er was eens een heel ondeugend jongetje.
Een jongetje dat nooit zijn tanden wilde poetsen. Hoe zijn moeder ook smeekte. “Boef”, zei moeder, “straks vallen al je tanden uit je mond. Dan denkt iedereen dat je een echte boef bent.” Maar het jongetje wilde juist een echte boef worden. Een hele enge boef. Zonder tanden, zodat iedereen zich rot zou schrikken. 'Eén tandje dan? Mag ik één tandje poetsen?' vroeg moeder. De tandenborstel was al vlakbij. Hmm, dacht het jongetje, met één tand zie ik er vast nog gemener uit. Gauw poetste zijn moeder het ene tandje. “Nog één tandje?” Maar het jongetje rende weg. Hij lag diep onder het dekbed toen zijn moeder kwam. Met een geheim doosje vol snoep.

 

 

 

 

 

 

Het duurde niet lang of al zijn tanden werden zwart en vielen uit zijn mond. Behalve de tand die zijn moeder steeds had gepoetst. Zijn moeder huilde en zei: “Zie je nou Boef dat ik gelijk had? Maar Boef was alleen maar trots. Hij was een echte boef geworden. Een boef met één tand. Hij ging eens goed voor de spiegel staan. Grijnsde met zijn ene witte tand. Hij was erg tevreden over het resultaat. Oh, wat had hij zin om naar school te gaan.

Bibberend en bevend liet de juffrouw Boef het klaslokaal binnen. Hij kreeg een eigen tafeltje met een eigen stoeltje en een eigen schrift. Als hij klaar was en grijnsde kreeg hij direct een volgende opdracht. De juffrouw bracht hem zelfs spulletjes voordat hij klaar was. Als hij maar niet zou grijnzen.
Zo werd Boef steeds slimmer. Hij haalde allemaal negens en tienen. Toen bedacht Boef dat hij later achter een groot mooi bureau wilde zitten. Op een zwarte leren draaistoel en dat iedereen vriendelijk tegen hem zou doen.
Hij wilde wel directeur worden. Een directeur van een bank. Maar een bankdirecteur met een boevenkop? Dat kan toch helemaal niet?

Voor het eerst van zijn leven ging Boef naar de tandarts. Hij moest in de wachtkamer gaan zitten. Er waren een heleboel mensen voor hem, die allemaal naar hem keken. Boef mompelde 'Goedemiddag' en ging naast het omaatje zitten. “Heb je kiespijn?” vroeg ze. Boef knikte ja en toen nee. Het duurde wel een uur voor hij aan de beurt was. Boef sprong op en riep met zijn mond wijd open: “Kijk eens tandarts”. De tandarts schrok zich een hoedje en stak zijn armen in de lucht. "Oooh nee, een boef. ”
“Ik ben geen boef”, riep Boef, “Ik bèn Boef en ik wil bankdirecteur worden". De armen van de tandarts gingen langzaam naar beneden. “Wat kan ik voor u doen? Wilt u soms een mooi kunstgebit?”

En zo kreeg Boef een kunstgebit. Een kunstgebit met één echte tand. Hij werd bankdirecteur en lachte extra vaak naar de klanten. Dan glinsterde zijn ene echte tand. De bankdirecteur zei tegen zijn moeder dat hij zo lekker veel kon snoepen zonder bang te hoeven zijn voor zijn tanden. Maar weet je, als hij thuis kwam dan poetste hij wel tien minuten lang zijn ene witte tand. En daarna kroop hij diep onder het dekbed met zijn geheime doosje en begon te huilen. Want weet je wat hij daarin gestopt had? Zijn oude zwarte tanden!